Quizvraag 6573

Vraag: Er liggen vier kaarten op tafel, waarover iemand het volgende beweert: "Als er op de ene kant van de kaart een klinker staat, dan staat op de andere kant van de kaart een even getal."
Welk(e) kaart(en) moet je noodzakelijk omdraaien om te weten of die stelling klopt?

Antwoord: De A en de 7 moet je omdraaien.

De A moet omgedraaid worden om te kijken er een even cijfer op de andere zijde staat. Als er een oneven cijfer op de andere zijde staat, is de bewering fout.

De 7 moet omgedraaid worden om te controleren dat er géén klinker op de andere zijde staat. Als er een klinker op de andere zijde staat, is de bewering fout.

De D moet niet omgedraaid te worden, het is immers geen klinker en het maakt dus niet uit wat voor cijfer er op de andere zijde staat.

De 4 moet ook niet omgedraaid te worden. Of er nu een klinker of een medeklinker op de andere zijde staat, de kaart voldoet altijd aan de bewering: er wordt immers niet beweerd dat alleen kaarten met een klinker een even cijfer op de andere zijde hebben!